Home> 4 Het letterkundig genootschap > Het Letterkundig Genootschap 'Oefening Kweekt Kennis' wordt opgericht.

4Het letterkundig genootschap

Het Letterkundig Genootschap 'Oefening Kweekt Kennis' wordt opgericht.

Print deze paragraafPrint

Reglement van het letterkundig genootschap, ten spreuke voerende: “Oefening Kweekt Kennis”.


Dit Genootschap heeft ten doel de beoefening en uitbreiding der letterkunde, en dus ook de bevordering van zedelijke beschaving en veredeling van hart en geest. Het Genootschap kiest, tot middelen tot bereiking van dit oogmerk, de onderlinge mededeeling van eigene lettervruchten en beoefening van algemeene letterkunde, terwijl de bemoeiïng met eenig godsdienstig of staatkundig stelsel ten eenenmale uit deszelfs werkzaamheden geweerd wordt.


De ontstaansgeschiedenis.


Na een korte schets van en over het verschijnsel leesgezelschap in de vorige paragraaf, gaan we ons verdiepen in de ontstaansgeschiedenis en de verdere lotgevallen van het onderwerp van dit hoofdstuk, het Letterkundig Genootschap ‘Oefening Kweekt Kennis’.
Waarom de historie van deze vereniging opgerakeld? Op de eerste plaats natuurlijk omdat de beide Van Stockum’s ( Stockum sr., W.P. van ) ( Stockum jr., W.P. van ) er zo innig mee verbonden waren en ten tweede, omdat zoveel mensen er in die ‘goede oude tijd’ zo ontzettend veel plezier aan hebben beleefd en er hun creatieve gaven en behoeftes in kwijt konden. Overigens was de allereerste naam van het genootschap ’Letterlievend’, in 1835-36 ook wel ‘Letteroefenend’ en Van Stockum schreef zelfs ergens gekscherend ‘het Letterlievend Kransje’; pas in 1839 ging men over op de aanduiding ‘Letterkundig’ en dat is zo gebleven.

In de inleiding tot deze jubileumuitgave gaf ik reeds te kennen dat ik niet zou schromen ruimschoots te citeren uit de herinneringen van W.P. van Stockum sr. als dat zo te pas zou komen. En dat uitgangspunt geldt zeker als het de ontstaansgeschiedenis betreft van bovengenoemde vereniging. Niemand beter dan één van de initiatiefnemers zelf kan hierover verslag uitbrengen en in Van Stockums eigen woorden is het als volgt gegaan:

‘Al kort na mijn vestiging ontstond het voornemen bij mijn vriend Van den Bergh ( Bergh, S.J. van den ) en mij om met onze wederzijdsche vrienden en bekenden een leesgezelschap op te richten; in December van 1833 kwamen daartoe een tal van jonge menschen bij mij aan huis zamen om deze zaak te overleggen en te regelen.
Een inzage van de notulen van dat jaar en vervolgens, zou de namen van hen die zich bij de oprichters aansloten doen kennen, evenals de lotgevallen van het leesgezelschap dat onder de zinspreuk ‘Tot uitspanning in ledige uren’ in 1834 ontstond en tot heden in stand gebleven is. Het was in den aanvang van datzelfde jaar dat mijn vrienden Van den Bergh, N. Bosboom ( Bosboom, N. ) , A. van Heel ( Heel, A. van ) , N. Scheltema, W.J. van Zeggelen ( Zeggelen, W.J. van ) en ik overeen kwamen om maandags om de veertien dagen bij mij aan huis zamen te komen om elkander bij beurten de vervaardigde opstellen of verzen over letterkundige onderwerpen voor te lezen. Den 28 februari 1834 had de eerste zamenkomst in mijne woning plaats.
Kort daarna openbaarde zich de begeerte van andere onzer vrienden om als toehoorders bij de voorlezingen tegenwoordig te zijn, dat gereedelijk werd overeengekomen En zoo werd de grondslag gelegd voor het letterkundig genootschap onder de zinspreuk ‘Oefening Kweekt Kennis’dat na een halve eeuw nog in bloeijenden staat verkeert ’.





W.P. van Stockum sr.
(1810-1898)






















Links: W.J. van Zeggelen (1811-1879).
Rechts: S.J. van den Bergh (1814-1868).


Van Stockum had heel bereidwillig zijn winkel/woning ter beschikking gesteld voor de tweewekelijkse bijeenkomsten. Deze ‘vergaderruimte’ was echter niet meer dan een kamertje achter zijn verkooplokaal in de Gortstraat - u las daarover in het hoofdstuk over de Boekhandel - en al heel spoedig kon deze behuizing het snel groeiende ledenbestand niet meer herbergen.

Al spoedig groeit het Genootschap uit zijn jasje.


Van Stockum vertelt dan verder:

‘Weldra werd het lokaal in mijn huis te beperkt om de steeds vermeerderende stroom van leden te bevatten. Van den Bergh en ik begaven ons naar den burgemeester Hooft, wien wij de omstandigheden waarin het opkomend genootschap verkeerde vrijmoedig blootlegden, en verzochten dat ons in één der stads lokalen gelegenheid mogt geschonken worden om onze vergaderingen te houden. Allergoedgunstigsd werd dit verzoek ontvangen en vervuld. De burgemeester wees ons in de Muziekschool een lokaal ten gebruike aan, en moedigde ons aan in ons streven.’

De Koninklijke Muzykschool was gevestigd in het huis Nederburgh aan het Westeinde hoek Vleersteeg, waar ook de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten haar kantoor had. Het Genootschap kwam aanvankelijk op de derde etage, later in een zijkamer beneden bijeen. Het gebruik van het gebouw was kosteloos. (Frappant toeval: op minder dan een steenworp afstand - Westeinde 57 - heeft Boekhandel van Stockum nu zijn bestel- en abonnementenadministratie, boekhouding en goederenont- vangst gehuisvest!)

Maar het succes van ‘Oefening’ was niet te stuiten; algauw werd ook deze ruimte te klein en moest men opnieuw naar ruimere behuizing uitzien. We lezen verder in de memoires:

‘Toen de jongelieden geëngageerd of gehuwd waren rees de natuurlijke begeerte op, met de geliefde in de genoegens van ons samenzijn te deelen, waardoor er behoefte kwam aan een ander en meer geschikt lokaal. Het werd gevonden in het Groot Keizershof op het Buitenhof , waar het genootschap tot in 1839 bleef vergaderen.’

In het etablissement Groot Keizershof van J.A. Springer huurde ‘Oefening’ bij contract van 19 augustus 1837 de grote zaal en één kamer inclusief verlichting, verwarming en bediening voor fl.200.- per jaar. De bijeenkomsten aldaar vonden plaats van 10 oktober 1837 tot 9 september 1839, waarna verhuisd werd naar Diligentia aan het Lange Voorhout.




Een toenemend aantal leden...





Het oprichtingsjaar kende al 12 leden.



Van Stockum:

‘Het toenemend getal leden en de aanzienlijke stand die het begon in te nemen in de letterkundige wereld leidden er toe om van dien tijd af op den classieken grond van Diligentia in het Voorhout de vergaderingen van ‘Oefening Kweekt Kennis’ over te brengen. Het genootschap bleef een punt van aantrekking voor sprekers en hoorders. Deze laatsten waren in de gelegenheid om alle mannen van naam op letterkundig gebied te zien optreden met de voortreffelijke vruchten hunner kennis en kunst.
Terwijl het bestuur en werkende leden in de gelegenheid waren die sprekers aan hun bekend ‘Servetje’ te zien aanzitten om onder een glas wijn intiemer kennis te maken. Wel viel het mij moeijelijk in mijn snipperuren (sic! : ik had nooit kunnen vermoeden dat dit begrip al in de 19e eeuw bekend was; B.J.) na zeer drukke bezigheden op mijn beurt bij te dragen tot de voordrachten in het genootschap. Ik deed wat ik vermocht.
Grootendeels bestonden mijne bijdragen in historisch-romantische verhalen uit onze geschiedenis waarvan er verscheidene zijn opgenomen in de bundels van het genootschap die van 1837 tot 1851 in 21 deelen werden uitgegeven ‘voor de leden’. Deze mijne medewerking duurde tot in 1848 toen een ongelukkige oogziekte mij het grif lezen belette en het voordragen ondoenlijk maakte.’


Ernstige gezichtsproblemen voor Van Stockum.


In het hoofdstuk over Boekhandel van Stockum heb ik al kort melding gemaakt van dit ongemak van onze hoofdpersoon en wellicht is het hier de plaats om er wat verder op in te gaan, te meer omdat Van Stockum er vrij uitgebreid over spreekt in zijn herinneringen. (Het valt weliswaar enigszins buiten het kader van dit hoofdstuk, maar goed, ik vond het nòg lastiger om het verhaal in één van de eerste drie hoofdstukken in te passen, vandaar.)
Wat mij trouwens opviel in zijn verslag is, dat het gekissebis, het wantrouwen en de misplaatste naijver onder medici kennelijk van alle tijden is; intrigerend is ook dat blijkbaar een effectief medicijn tegen de oogziekte staar (zonder operatief ingrijpen) zomaar in de vergetelheid kan raken zoals zal blijken.

Verblijf te Heeze, 1848.


‘Mijn vriend Van de Kasteele geleidde mij tot Den Bosch. Mijn zoontje Egbert die toen elf jaren was vergezelde mij en zamen kwamen wij te Heeze bij Jan de Jager aan. Deze hield een herberg in het begin van het dorp nabij de kerk en over de rijweg naar het kasteel van de familie Van Tuyll van Serooskerken.
Bij De Jager betrok ik een bovenkamertje, waarnaast een andere patiënt, de heer Le Fêvre de Montigny gelogeerd was. Er waren nog vier andere ooglijders in dien herberg gelogeerd, H.H. Doorman, boekhandelaar benevens zijn broeder D., luitenant bij de Artillerie van het O.I. leger, voorts H.H. van Goudriaan, zoon van den hoofdingenieur van dien naam, en een jong student der Delftsche Academie Van Andel. Deze maakten het gezelschap uit dat van nu af aan maanden lang met elkander lotgemeen, op en neer zou gaan.
Ds. Kremer ( Kremer, Ds. ) ontving mij met veel belangstelling; hij onderzocht mijne oogen en ook van hem moest ik vernemen hoe zorgelijk mijn toestand was, maar ook dat hij mij hoop gaf te zullen behouden wat nog niet verstoord was, en bleek voor opwekking vatbaar te zijn. Hij nam kennis van de voorschriften der geneesheren die mij behandeld hadden, en kon zijn verwondering en afkeuring voor dergelijke behandeling niet verbergen. Zijne methode was eenvoudig en bepaalde zich tot eene driemaal daagsche indruppeling van een vocht dat in het oog gebracht en zooveel mogeliik met de vingeren er door gewerkt moest worden. Gepaard met een gelijkmatig hoogst eenvoudig dieet, drie-maal-daagsche wandelingen op de heide en onthouding van alle inspanning van het gezicht.
En ziet, reeds na een paar weken dat mij de geneesmiddelen van ds Kremer waren toegediend zag ik verbetering en verheldering. Zalig gevoel dat ik in lange tijd niet had genoten; tot heden had ik onder een groene klep mijn pinkend oog beschut, nu liep ik onbedekt in het zonlicht en mocht op de heide frissche lucht genieten en nieuwe krachten verzamelen voor een nieuw leven’.


Gelukkig genezen: het verhaal van dominee Kremer.


Vrijwel volledig genezen kon Van Stockum terugkeren naar Den Haag, waar zijn vriend Helvetius van den Bergh het beheer van zijn zaken had waargenomen en zijn vader de financiële belangen had behartigd en gecontroleerd. In zijn herinneringen schrijft hij overigens nog wel over het merkwaardige feit dat een dominee beschikte over een geneesmethode van wat hij ‘cataract’ ofwel grauwe staar noemt. Over de verklaring hiervan laat hij ons gelukkig niet in het ongewisse.
Want tijdens een bijeenkomst met zijn patiënten vertelt ds Kremer dat zijn vader, die ook predikant was, op een goede dag onderdak had geboden aan een Franse vluchteling die door vervolgingen tijdens de omwenteling van de Franse Revolutie uit zijn vaderland was verdreven. Na enige tijd bij het gezin Kremer te hebben doorgebracht vertrok hij weer, maar wilde uiteraard zijn dankbaarheid voor de genoten gastvrijheid tonen. Bij zijn vlucht uit Frankrijk had hij echter alles moeten achterlaten met uitzondering van een beschrijving van een genezingsmethode van oogziekten en de daarvoor benodigde middelen. Deze beschrijving ontving vader Kremer als dankbetuiging maar het papier verdween natuurlijk al snel in één of andere lade en werd vergeten.

Tot 1833! Toen deed zich in Heeze een geval van oogziekte voor en de jonge ds Kremer besloot een proef te nemen met de methode van de Fransman die hij samen met andere stukken van zijn vader had geërfd. En met volledig succes, wat natuurlijk tengevolge had dat jaarlijks honderden ooglijders naar Heeze kwamen om genezing te zoeken en te vinden. Zo ook dus onze hoofdpersoon die zijn memoires besluit met de volgende constatering:

‘Hier zij nog opgemerkt dat de waardige ds K. veel moeijelijkheden heeft moeten ondervinden van het Geneeskundig bestuur dat hem het recht om de ooggeneeskunde uit te oefenen betwistte. Om voor de toekomst van verdere collissie met de wet bevrijd te zijn besloot hij zijn zoon aan de H.S. te Utrecht te laten studeeren in de geneeskunde, maar deze beantwoordde niet aan de verwachting zijns vaders maar verkoos eene andere loopbaan. Na den dood van ds K. in 1871 is de geneesmethode ongebruikt gebleven in het bezit der familie.’

Met deze trieste vaststelling komt er vrij plotseling een einde aan de memoires van de oude Van Stockum. Erg jammer dat hij pas op zeer hoge leeftijd met het opschrijven ervan begonnen is. Het handschrift heeft lange tijd berust in het archief van de familie Van Stockum, leek een tijdlang spoorloos, maar is gelukkig een klein jaar geleden uit een boedel weer boven water gekomen. (Zie daarover ook het hoofdstuk over de Uitgeverij, paragraaf "Welk een rijk bezit een familie-archief kan zijn".

Eillert Meeter.


Over deze dominee Kremer heeft de bekende 19e eeuwse schrijver en journalist Eillert Meeter ( Meeter, E. ) (1818-1862) in 1842 een publicatie laten verschijnen met als titel: ‘De genezing der oogziekten door den Weleerw. J.L.A. Kremer Az., predikant te Heeze. Daarin deed hij verslag van zijn bezoek aan Heeze, zijn kennismaking met en opinie over Kremer en vertelde hij over zijn onderzoek van een honderdtal genezen patiënten van de dominee. Hij was in zijn tijd een zeer kritisch journalist, maar komt desondanks tot de conclusie dat Kremer’s behandeling doeltreffend was en zijn medicijnen resultaat hadden: de mensen kregen hun gezichtsvermogen terug!




In het Nieuwsblad voor den Boekhandel van donderdag 22 september 1842 brengt uitgever Van ’t Haaft de brochure over dominee Kremer onder de aandacht.



paragrafen in dit hoofdstuk

imageEen letterkundig gezelschap: wat hield het eigenlijk in?

imageHet Letterkundig Genootschap 'Oefening Kweekt Kennis' wordt opgericht.

imageKennismaking met de oprichter en de bijdragen van Van Stockum sr., Van Zeggelen en Ten Kate.

imageBelangrijke namen, de revolutie van 1851 en de meest populaire sprekers.

image'Oefening Kweekt Kennis' onder voorzitterschap van W.P. van Stockum jr.

imageDe periode rond 1934: Het genootschap viert haar 100-jarig bestaan.

imageDe laatste actieve jaren van het letterkundig genootschap.

Home | Contact | Zoek in 17 miljoen leverbare titels