Home> 1 Een 'uitgestapt' veilinghuis > Inleiding.

1Een 'uitgestapt' veilinghuis

Inleiding.

Print deze paragraafPrint

Hoe zat dat ook al weer met die 19e eeuw? Dat was toch die saaie eeuw waarin vrijwel niets gebeurde; met die slappe, weinig energieke mensen: de Jan Salies van de Nederlandse natie, zo doeltreffend beschreven door E.J. Potgieter in zijn beroemde allegorie Jan, Jannetje en hun jongste kind (1841), waarin hij het verval van Holland schetst.
Onze visie op - vooral - de eerste helft van die negentiende eeuw wordt daarnaast voornamelijk bepaald door het beeld dat Hildebrand schildert in zijn Camera Obscura (1839), en dat niet ten onrechte. Een camera obscura geeft echter alleen datgene weer waarop de lens gericht wordt en zo liet Hildebrand ons slechts dàt deel van de werkelijkheid zien dat hij kende en om zich heen zag: de gezeten burgerij en de betere standen. Een groot deel van die 19e- eeuwse werkelijkheid: het gewone volk, de armoede en de zelfkant van de maatschappij werd door zijn Camera Obscura niet of nauwelijks belicht. Pas in de laatste decennia heeft men ingezien dat dit enigszins vertekende beeld moest worden bijgesteld en dan ontstaat er meteen een heel andere kijk op deze periode.

De tien jaar tussen 1840 en 1850 betekenden voor Nederland een woelige periode, zowel in politiek als in sociaal opzicht. De grote economische crisis vanaf 1843 bracht ernstige sociale onrust, die vervolgens aanleiding gaf tot weerstand tegen de verstarde maatschappij die aan de rand van een bankroet stond. Aan de ene kant had je de liberale oppositie die vooral meer politieke vrijheid zocht, daarnaast, min of meer in haar schaduw, vocht een kleine radicale voorhoede - gevormd door een groep jonge journalisten - voor een verdergaand sociaal programma.
Deze maatschappelijke bewegingen zouden uiteindelijk leiden tot de grote veranderingen die in 1848, het jaar van de revolutie, plaatsgrepen met de grote staatsman Thorbecke als belichaming van een nieuwe geest, die de Nederlanders weer de moed en de kracht gaf zich boven de verpaupering uit te werken.

Potgieter mocht dan hebben geklaagd over de versuffing en verslapping van de Hollandse natie en het ingeslapen volk striemen met zijn meedogenloze kritiek, toch waren er ook in zijn tijd nog steeds mannen met ondernemingsgeest en durf; mannen, die net als hijzelf, een energieke zakelijkheid verenigden met een actieve belangstelling voor wetenschap en kunst.
Deze wil tot verbetering blijkt wellicht het meest typisch uit de bloei van de ‘Maatschappij tot Nut van het Algemeen’, ooit opgericht te Edam in 1784 door de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuizen. Een instelling, goed georganiseerd in departementen met afdelingen tot in de kleinste dorpen, gericht op volksontwikkeling (de beroemde ‘Nutsavonden’ en ‘Nutsbibliotheken’) , onderwijsvernieuwing (‘Nutsscholen’) en opvoeding tot democratisch staatsburgerschap (‘Nutsspaarbanken’).
Alleen al de activiteiten van deze ene organisatie veronderstelt een cultuurpeil en een lectuurbehoefte, die veel groter waren dan men zou verwachten, als men slechts afging op de Jan Salie-geest die Potgieter nog veertig jaar na het begin van de eeuw in zijn tijdgenoten hekelde. In dit verband zien we juist in die periode een opmerkelijk verschijnsel ontstaan: de vestiging in ons land van een vrij groot aantal boekhandels (vaak tevens uitgeverijen), waarvan sommige eigenaren zich tegelijkertijd ook met het antiquarische boek bezig hielden .Van enkele kennen wij nu nog steeds de namen: b.v. Bohn, Brill, Meulenhoff, Sijthoff, Thieme en Wolters.

En de stad Den Haag zette in deze zin een zekere traditie voort, want kende de Hofstad niet al in de 17e en 18e eeuw een vrij bloeiend boekenleven?

‘De Grote Zaal op het Binnenhof was ooit een stapelplaats van de Nederlandse boekhandel, een middelpunt van boekenveilingen van de hele wereld waar boeken voor een goede prijs werden verkocht en van alle kanten daarheen werden gebracht.’

Aldus de dichter J. van der Does in 1668.

In de loop van die 19e eeuw doken dus ook in onze stad namen op van nieuwe boekhandelaren, van wie de meeste helaas al lang weer zijn verdwenen. Anderen echter gingen pas betrekkelijk kortgeleden ter ziele, meestal bij gebrek aan opvolging of soms door fusie met een collega.
In het derde deel van het standaardwerk Den Haag, geschiedenis van de stad (2005) wordt terloops vermeld dat de Hagenaar in het jaar 1935 in ieder geval nog kon kiezen uit 289 boekhandels en leesbibliotheken in deze agglomeratie. Bekende Haagse boekhandels die inmiddels niet meer bestaan, zijn o.a. Belinfante, Boucher, Van Cleef, Dijkhoffz, Govers, Hoonhoud, Van Ketel, Mensing & Visser, Nijhoff, Plantijn, Synthese en Wattez. Wat een trieste constatering eigenlijk!
Gelukkig echter kunnen we ook namen noemen van hen, voor wie het lot gunstiger heeft beschikt; boekhandels die er in geslaagd zijn met een nieuwe en aangepaste bedrijfsvoering voort te borduren op de tijden van vroeger, van hun voorgangers en/of grondleggers: Couvée, Van Hoogstraten, Jongbloed, Paagman, Van Seters; Verwijs en natuurlijk Van Stockum!
Het jubileum van deze firma is immers de aanleiding tot het schrijven van dit boek, dat successievelijk aandacht schenkt aan de grondlegger W.P. van Stockum sr. ( Stockum sr., W.P. van ) , diens zoons en opvolgers W.P. van Stockum jr. ( Stockum jr., W.P. van ) en C.M. van Stockum ( Stockum, C.M. van ) en over de na hen gekomen leiders van het antiquariaat en veilinghuis, de uitgeverij en de boekhandel met deze naam.

Van Stockum sr. was zijn bedrijf niet begonnen als ‘drie-eenheid’, maar het duurde niet lang voordat hij de drie aspecten van het boekenvak: boekverkoper - uitgever - antiquaar in één persoon en bedrijf verenigde, zoals vaak het geval was in de 19e eeuw. D.w.z. hij opende een boekhandel in 1833 als jongeman van 23 jaar, maakte al snel kennis met jonge dichters en schrijvers en startte betrekkelijk vroeg met het publiceren van hun werken - zijn eerste uitgave dateert van 1835 - en zo werd hij terloops ook uitgever. Vervolgens lukte het hem in 1842 voor het eerst een bibliotheek in handen te krijgen en die voor veiling te bibliograferen en te catalogiseren; daarmee vestigde hij ook zijn naam als antiquaar en veilingmeester.
In afzonderlijke hoofdstukken zal de geschiedenis van deze drie bedrijfsonderdelen worden verteld, waar nodig van commentaar voorzien en geïllustreerd met oude foto’s, archiefstukken, correspondentie en ander historisch materiaal dat ik tijdens mijn naspeuringen en onderzoek heb aangetroffen.
Een zeer belangrijke bron voor enkele gedeelten van mijn verhaal vormen hierbij de memoires die Van Stockum sr. bijhield tot 1848, om dan plotseling te eindigen; ze beslaan 59 pagina’s in handschrift en uit één passage wordt duidelijk, dat hij ze pas in 1890 opschreef. Ze zijn bijzonder aardig om te lezen zoals U zult zien: ze schetsen een helder beeld van het dagelijks leven in de eerste helft van die 19e eeuw en de combinatie van zijn persoonlijke en zakelijke beslommeringen geven een goed inzicht in het wel en wee van deze jongeman, die zou uitgroeien tot één van de belangrijkste boekhandelaren in zijn tijd.
Ik zal met enige regelmaat uit deze herinneringen citeren; dat heeft de oude Van Stockum ruimschoots verdiend en komt dit boek m.i. alleen maar ten goede.

Het eerste hoofdstuk is gewijd aan het Antiquariaat en Veilinghuis van Stockum - evenals de boekhandel nog actief - maar in 1906 door W.P. van Stockum jr. verkocht (en dus "uitgestapt") aan J.B.J. Kerling ( Kerling, J.B.J. ) , die dankbaar gebruik maakte van de grote faam en goodwill van zijn voorgangers en daarom de firmanaam handhaafde.

Hoofdstuk twee gaat over de Uitgeverij van Stockum die in 1947 eveneens een zelfstandige firma werd, maar eind jaren ’70 van de vorige eeuw helaas werd opgeheven. Aan het gevarieerde en interessante fonds van deze ‘vergeten’ uitgeverij zal ruime aandacht worden besteed.

Er zijn twee redenen waarom de meeste aandacht in het derde hoofdstuk naar de Boekhandel van Stockum gaat. Ten eerste omdat dit bedrijfsonderdeel sinds 1833 nog steeds bestaat en ten tweede omdat ikzelf de laatste veertig jaar in diverse functies bij deze zaak werkzaam was. Dat verklaart dan meteen de persoonlijke noot, die zo nu en dan door het verhaal van de laatste vijftig jaar verweven zit en die misschien de al te historische beschouwingen wat luchtiger en beter te verteren maakt.

W.P. van Stockum sr. stond ook aan de wieg van het Letterkundig Genootschap ‘Oefening Kweekt Kennis ’, een tamelijk illuster gezelschap van jonge dichters en literatoren, aan wie hij in 1834 korte tijd onderdak bood in een kamer van zijn boekhandeltje in de Gortstraat.

In het vierde hoofdstuk wordt nader ingegaan op ontstaan en geschiedenis van dit Genootschap, dat heel lang heeft bestaan en waarvan men zegt dat het officieel nooit is ontbonden!

Tenslotte wordt in hoofdstuk vijf nog aandacht geschonken aan een fenomeen ‘Het Servetje’ genaamd, een eet- en drinkritueel dat elke bijeenkomst van ‘Oefening’ afsloot en al spoedig een begrip werd in de literaire kringen van Den Haag en daarbuiten.

paragrafen in dit hoofdstuk

imageInleiding.

imageEen eerste kennismaking met de grondlegger van ons bedrijf.

imageOver antiquaar en antiquariaat, over boekbeschrijven, catalogiseren en collationeren.

imageDe zaken gaan voorspoedig.

imageSchatgraven, veilingen en het belang van goede catalogi.

imageDe opvolgers van Kerling: het Peter Pruimers tijdperk.

imageAntiquarenbeurzen en internet.

Home | Contact | Zoek in 17 miljoen leverbare titels